Anders naar de werkelijkheid leren kijken: een interview met Mieneke Bakker
Mieneke Bakker is momenteel regisseur van Papaver. Ze studeerde in 1978 af aan de Toneelacademie van Maastricht. Daarna was ze als actrice vast verbonden aan theater Het Vervolg (later Toneelgroep Maastricht). Ze speelde in meer dan zeventig voorstellingen. Daarnaast werkte ze mee aan films en televisieseries. Maar ze acteerde niet alleen, ze schreef en regisseerde ook, en ze was jarenlang als docent verbonden aan de Toneelacademie Maastricht, waar ze deel uitmaakte van het kernteam van de regie opleiding.
Mieneke: je werd geboren in Spekholzerheide in de oostelijke Mijnstreek, als dochter van een mijningenieur. Je was bovendien een ‘Hollander’ en protestants. In hoeverre heb je daardoor een outsider’s perspective ontwikkeld, dat dienstig was aan je acteer- en regisseerwerk?
“Ik vind het denken vanuit verschillende perspectieven interessant. Voor mij is er niet één waarheid, of één kijk op de werkelijkheid. Ik heb niet zoveel met regisseurs die met een eenduidige visie via toneel iets in de wereld willen bewerkstelligen; daar wordt ik heel kriebelig van. Ik ben juist geïnteresseerd in vragen als: waarom doet iemand wat hij doet? Wat is de waarheid van de ander? Want stel dat die ander voor 5% gelijk heeft, dan ben ik daar wel benieuwd naar. Hoe naar of vervelend een personage ook is, toch wil ik weten waaróm hij zo is. In het algemeen zijn het mensen – alle mensen – die me boeien. De waarde van kunst – en dus ook de waarde van toneel – is voor mij dat je opnieuw en anders naar de werkelijkheid leert kijken”.
Krijg je dat ook terug van je publiek?
“Ja absoluut. Bij de voorstellingen van Ich bau dir ein Schloss bijvoorbeeld zaten mensen van beide perspectieven in de zaal [mensen van zowel boven als onder de grond]. Veel mensen zeiden dat het stuk hen persoonlijk had geraakt. Ik kreeg vaak te horen: ‘goh, zo had ik er nog nooit naar gekeken’. Dat vond ik een heel mooi compliment.”.
In een interview heb je ooit gezegd: ‘Vragen zijn belangrijk; ze vormen de voedingsbodem voor het theater’. Wat zijn de vragen die je tegenwoordig bezig houden? In hoeverre hebben die invloed op je keuze voor stukken, als actrice en als regisseur?
“Tja, misschien een open deur, maar het gaat voor mij altijd over mensen. Maar daar komt nog iets bij. Als ik op zoek ga naar een stuk moet ik er nú door worden geraakt. Een stuk mag best in het verleden spelen, maar het moet ook over nú gaan. Van Herman Heijermans bijvoorbeeld denkt men vaak dat het een ouderwetse schrijver is, met achterhaald taalgebruik. Maar als je goed leest spreekt hij nog steeds aan, vooral als hij aansluit bij wat er nu gaande is. Een tragedie als Brief in schemer – geschreven in 1914, toen er oorlog dreigde – zou ik vroeger nooit hebben gekozen. Maar nu er opnieuw heel dichtbij oorlog wordt gevoerd, wilde ik het weer op de vloer zetten. Iets dergelijks speelde bij de keus voor Dieven van Dea Loher. Dat stuk geeft een caleidoscopisch beeld van verloren mensen in onze verwarrende tijd. Daarbij ben ik extra gespitst op taal. Ik ben me er steeds meer van bewust geworden hoe belangrijk taal voor me is. Zowel de vorm van taal als de stilering ervan zorgen ervoor of een stuk al dan niet binnen komt. Vervolgens is het natuurlijk aan mij en de spelers of het ook slaagt.”
Hoe is het voor jou om als professional te werken met amateurs?
“Nou, er zijn wel momenten dat ik denk: pfff… Het komt bijvoorbeeld voor dat we tijdens een repetitie hard hebben gewerkt aan de interpretatie van een scène, en dat de acteur in kwestie de week daarna alles is kwijtgeraakt – of er zijn eigen draai aan heeft gegeven. Dat zou niet gebeuren bij een professionele acteur. Maar wat ik leuk vind aan Papaver is dat er een grote bereidheid bestaat mee te gaan in mijn zoektocht naar de beste speelwijze. Dus niet alleen: de tekst uit je hoofd leren en dan bam! spelen, maar zoeken naar de beste manier om een stuk te spelen, met gevoel voor de juiste houding, de muzikaliteit van de taal en de timing van de tekst”.
Dus als ik het samenvat moeten jouw aanwijzingen als regisseur worden begrepen, geïnternaliseerd, vastgehouden en gereproduceerd?
“Ja. En zo zijn er nog een hele hoop dingen, zoals aansluiten (geen pauze laten vallen), stiltes (juist wel een pauze laten vallen), beweging, en samenspel…”
Daarvoor is het wel essentieel dat mensen zich op hun gemak voelen, en elkaar vertrouwen
“O ja, dat is zó belangrijk! Als er iéts is waar ik me altijd hard voor maak, dan is het dat ik betrokkenheid bij elkaar en wederzijds respect probeer te bewerkstelligen. Natuurlijk moet er af en toe kunnen worden gelachen om een misser, maar veiligheid is essentieel. Als actrice heb ik dat ook altijd zo ervaren. Als er geen veiligheid is, dan kun je niet spelen, dan is er geen ruimte om te experimenteren, dan bevries je. Als regisseur heb ik het afgeleerd bang te zijn het spel van een acteur na te doen. Pedagogisch gezien vinden sommigen dat niet verantwoord, maar het helpt wel heel erg – op voorwaarde dat er sprake is van veiligheid en vertrouwen. Als actrice weet ik hoe het is om op de vloer te staan en wat de valkuilen zijn. Als regisseur heb ik daar profijt van. Door mee te spelen, door mee te zoeken, door het mee te voelen, sleutelen we samen aan een stuk”.
Je was regisseur bij Papaver van 1979 t/m 1986. Waarom ging je weg?
“Het regisseren bij Papaver deed ik erbij op mijn vrije maandagavond. Maar ik kreeg het steeds drukker met andere dingen om Papaver te continueren. Bij het 40-jarig jubileum in 2016 werd me gevraagd nog een keer ‘iets’ te doen. Dat werd improvisatie. Het beviel goed, en daarna ben ik gebleven. Ik vind het erg leuk dat ik mijn kennis en vakmanschap ook na mijn pensioen kan inzetten. En ik vind het belangrijk om mensen warm te maken voor het theater en voor de kunsten in het algemeen”.
Je bent dus twee keer voor langere tijd aan Papaver verbonden (geweest). In de tussentijd heb je heel veel gedaan. Is je keus voor stukken in de loop der jaren veranderd? Is je regisseerstijl veranderd? Zo ja: hoe?
“Ik denk dat ik me nu bewuster ben van de keuzes die ik maak. Voorheen werkte ik intuïtiever, maar ik denk dat ik in de kern dezelfde ben gebleven. In de stukken die ik voorheen regisseerde zat vaak een maatschappelijke component, en dat is nog steeds zo. Ik denk dan bijvoorbeeld aan Der Katzelmacher van Fassbinder, aan Kasimir en Karoline van Horváth, of aan Op weg naar Tar van Arrabal. Eigenlijk staat altijd de mens in zijn maatschappelijke context centraal”.
Wat is volgens jou de waarde van amateurtoneel?
“Ik denk vooral plezier: het plezier om samen te spelen, en samen te willen leren. Je open te stellen voor het onverwachte en vorm te geven aan een nieuwe blik op de werkelijkheid. Ook vind ik het leuk om te werken aan een stuk met mensen van verschillende generaties, met verschillende karakters en afkomstig uit verschillende achtergronden”.
Het is goed om te kunnen repeteren op de plek, waar ook de voorstelling is. Dat geeft je een gevoel voor de ruimte waar het stuk wordt uitgevoerd. En dan weet je: het Pesthuys voelt als een vertrouwde thuisbasis met een vast publiek.